Taalkundige vaardigheden

 

SCHRIJFWIJZER

 

Jeroen Wiedenhof 2002, 2008, 2018

LIAS/LUCL, Universiteit Leiden

Index

1. Algemeen
2. Metataal
3. Citeren
4. Verwijzen
5. Voorbeelden
6. Tot slot

Andere taalkundige vaardigheden

1. Algemeen

Een goed geschreven verhandeling maakt het de lezer zo gemakkelijk mogelijk. Elke bewering dient te worden toegelicht en elke conclusie moet stap voor stap zijn ingeleid. Of het nu om een werkstuk gaat of om een artikel in een wetenschappelijk tijdschrift, je mag als schrijver nooit aannemen dat de lezer iets "toch wel weet", tenzij het over de meest alledaagse dingen gaat.

Als de gebruikte termen, begrippen en afkortingen in de tekst worden toegelicht, laat je verhandeling zich als een zelfstandig stuk lezen. Een lezer die zich keer op keer afvraagt wat je nou eigenlijk bedoelt, zal het waarschijnlijk niet kunnen opbrengen om je stuk uit te lezen. De meeste aanwijzingen in deze handleiding zijn een uitvloeisel van het principe dat je het de lezer zo gemakkelijk mogelijk moet maken.

Een taalkundig werkstuk is vrijwel altijd een verslaglegging van wat je gedaan hebt: je beschrijft je pogingen om een onderzoeksvraag op te lossen. Over onderzoeksvragen volgt hieronder meer, maar onthoud voor nu alvast dat het oplossen daarvan geen doel van je werkstuk kan zijn. Het is vooraf sowieso vaak onmogelijk om vast te stellen of onderzoeksvragen oplosbaar zijn. Daarom is in een werkstuk de beschrijving van je pogingen altijd hoofdzaak, en het oplossen van onderzoeksvragen hoogstens bijzaak.

Houdt je doelstellingen beperkt: ook het aanbrengen en het toegankelijk maken van nieuwe feiten gelden als bijdrage tot de wetenschap. Als schrijver van een werkstuk is het niet jouw taak om je lezer miraculeuze oplossingen te bieden van bekende taalkundige problemen.

In een verslag van wat je gedaan hebt hoort dan ook beslist het noemen van punten waar je wel over nagedacht hebt, maar waar je niet bent uitgekomen. Het zorgvuldig formuleren van een niet opgelost probleem is geen schande, maar juist een grote verdienste. Je helpt daarmee immers om in kaart te brengen waar de problemen precies zitten.

Bijdragen tot de wetenschap beginnen vaak met een waarneming: jouw eigen observatie van een gebeurtenis. Een waarneming is pas bruikbaar wanneer deze gedocumenteerd is, dat wil zeggen: zorgvuldig vastgelegd. Taaluitingen zijn vluchtig, dus wat je hoort kun je het best meteen opschrijven, inclusief details van de omstandigheden, zoals spreker, toegesprokene(n), plaats, tijd en andere context. Over de rol van waarneming in wetenschap kun je hier meer lezen.

Net als in andere disciplines begint ook in de taalkunde een samenhangend betoog met een probleemstelling, en leiden stapsgewijze argumenten uiteindelijk tot conclusies. De probleemstelling is je onderzoeksvraag: een kwestie die je aan de orde stelt en analyseert. De argumenten zijn observaties, beweringen en analyses die je bespreekt in een duidelijke samenhang. De conclusies zijn de gevolgtrekkingen uit deze bespreking.

Probeer in de uitwerking van je onderzoeksvraag je lezer te interesseren en deelgenoot te maken in de problemen die je signaleert. Als je wilt, kun je aan het eind van je betoog ook een persoonlijke noot toevoegen, bijvoorbeeld over iets dat je gaandeweg is opgevallen, of over iets nieuws dat je tijdens het uitwerken geleerd hebt.

De kwaliteit van je verslaglegging staat of valt met de helderheid van het betoog. Probeer je bij het schrijven te verplaatsen in een geïnteresseerde maar onvoorbereide lezer, en vraag je voortdurend af of deze werkelijk uit jouw woorden zou begrijpen wat jij ermee bedoelt. Lees je eigen tekst goed na, maar doe dat nooit direct na het schrijven.

Er is een overvloed aan boeken over het schrijven van werkstukken en scripties. Ook zonder die door te werken kun je leren schrijven door te kijken hoe anderen het doen. Lees veel en lees kritisch: dat heeft ook ongemerkt een gunstig effect op je schrijfvaardigheid. Let bij het lezen van andermans artikelen op de eigenschappen die je bevallen of juist tegenvallen.

Uit het oogpunt van leesbaarheid is het goed om weinig of helemaal geen afkortingen en symbolen te gebruiken. Als ze onontbeerlijk zijn, verklaar ze dan direct bij het eerste gebruik, en voeg een alfabetische opgave van alle afkortingen en symbolen aan je stuk toe. Als je zo'n lijstje voorin je verslag plaatst, dan hoeft de lezer zich niet af te vragen of deze verklaringen nog komen.

Voetnoten worden vaak te veel gebruikt, en een goed artikel kan het ook zonder voetnoten stellen. Een voetnoot is nooit bedoeld om verklaringen van termen of uitgangspunten toe te voegen. Deze zijn centraal voor het betoog, en horen dus in de hoofdtekst thuis. Ook literatuurverwijzingen kunnen in een taalkundige tekst beter in de hoofdtekst staan; zie daarvoor verder paragraaf 4.

Voetnoten worden alleen terecht gebruikt wanneer een mededeling echt buiten het betoog valt, maar toch voor de lezer interessant kan zijn. Bijvoorbeeld:

(1)  Het bijwoord 'niet' komt ook voor in combinatie met andere bijwoorden, zoals tài 'te, uiterst'. In het volgende fragment wordt de vraag van spreker A ontkennend beantwoord door spreker B:
         
A:
Pǔbiàn
ma?
algemeen
VRG
'Is dat algemeen?'
B: 
M... 
 
tài 
pǔpiàn.1
mm
niet
te
algemeen
'Mm... niet zo erg algemeen.'

_________

1. Pǔbiàn 'algemeen' en pǔpiàn 'algemeen' worden door beide sprekers als "hetzelfde woord" ervaren. In Peking is pǔbiàn de norm; op Taiwan is pǔpiàn ruimer verbreid.

Overigens verdienen voetnoten (d.w.z. noten onderaan de bladzijde) meestal de voorkeur boven eindnoten (d.w.z. noten volgend op de hoofdtekst) omdat ze de lezer geblader besparen. In digitale publicaties kan het laatste probleem ondervangen worden door een klikbare link naar de tekst van de noot te combineren met een klinkbare link terug naar de hoofdtekst.

2. Metataal

Bij het schrijven over taal is de taal zowel het beschrijvende medium als het beschreven onderwerp. Anders gezegd: het beschrevene is taal, het beschrijvende is metataal, oftewel taal over taal. Om in een geschreven stuk taal en metataal uit elkaar te houden is een aantal conventies noodzakelijk.

Het is in de taalkundige literatuur gebruikelijk om beschreven vormen te cursiveren en gegeven betekenissen tussen aanhalingstekens te plaatsen:

(2) Betekent fijn hier 'prettig' of 'dun'?
(3) In de uitdrukking external force is external 'extern' een bijvoeglijke bepaling bij force 'kracht'.

Zoals we hieronder zullen zien, (in § 3) worden aanhalingstekens ook vaak gebruikt voor citaten. Je kunt dan onderscheiden tussen enkele en dubbele aanhalingstekens, bijvoorbeeld door citaten in dubbele aanhalingstekens te transcriberen, en betekenissen tussen enkele aanhalingstekens.

In handschrift kan cursivering vervangen worden door onderstreping. Dit soort onderstreping werd oorspronkelijk gebruikt als instructie voor een drukkerij om tekst cursief te laten zetten. (De onderstrepingen in deze handleiding zijn van een heel andere aard. Ze geven hyperlinks aan: plaatsen in de tekst die met een muis aanklikbaar zijn.)

Wanneer besproken vormen in genummerde voorbeelden worden opgegeven, hoeven ze niet gecursiveerd te worden:

(4) Vergelijk nu de volgende voorbeelden:

(27) Ik loop op straat, komt er een vrachtwagen aan.

(28) Loop ik op straat, komt er een vrachtwagen aan.

Het cursief mag hier achterwege blijven omdat uit de nummering van de voorbeelden kan worden aangenomen dat het gaat om besproken taalvormen.  

Zie voor meer details over het transcriberen van talige gegevens de Transcriptiewijzer.

3. Citeren

Als je het werk van anderen citeert, geef dan altijd expliciet aan dat het een citaat betreft. Als je dit verzuimt te doen, loop je gemakkelijk het risico beschuldigd te worden van plagiaat, dat wil zeggen: de verdenking dat je andermans tekst wil laten doorgaan voor eigen werk.

Gebruik dubbele aanhalingstekens bij het aanhalen van een tekst: 

(5) Light (1977: 35) beweert dat "in instances where external forces are at work or permission is required, néng is mandatory and the potential is excluded". Als iemand een gebroken enkel heeft, zou daarom tiào bu guò qù 'er niet overheen kunnen springen' niet kunnen worden gebruikt. Maar hoe weten we of een gebroken enkel een "external force" is?

Vergelijk dit voorbeeld met voorbeeld (3), waar external force werd gecursiveerd omdat het ging om een gegeven vorm uit de Engelse taal. In voorbeeld (5) zijn de woorden "external force" aangehaald als tekst van een andere schrijver.

Vraag je ook af hoe zinvol het is om een tekst letterlijk aan te halen. De Nederlandse tekst van voorbeeld (5) ging over de vraag of "external force" een doorzichtige beschrijving was. Het had daar dan ook zin om de schrijver in het oorspronkelijke Engels te citeren.

Toch komt het aanhalen van tekst in een andere taal de leesbaarheid van een stuk nooit ten goede. Probeer dit dan ook te voorkomen wanneer de specifieke woordkeus van die tekst er niet toe doet. Schrijf dus niet:

(6) Chao (1968: 16) noemt verder als belangrijk kenmerk van geluidsopnamen van spontane conversatie "the inclusion of prosodic elements, which are rarely or very sketchily indicated in composed texts".

In dit geval voldoet een getrouwe weergave van de woorden van de schrijver:

(7) Chao (1968: 16) noemt verder als belangrijk kenmerk van geluidsopnamen van spontane conversatie dat deze prosodische elementen bevatten, terwijl die in samengestelde teksten zelden of slechts in geringe mate worden aangegeven.

Net zoals citaten vergen parafrases een vermelding van de bron, inclusief pagina-verwijzing, waarmee geïnteresseerde lezer nog altijd zelf de tekst van het oorspronkelijke werk kan raadplegen.

Sommige teksten lenen zich minder goed om aangehaald te worden vanwege de manier waarop ze in het oorspronkelijke werk geformuleerd zijn:  

(8) Lyons (1977: 503) beweert dat "Every statement that can be made by uttering a simple sentence expresses a proposition, which, if it is informative (cf. 2.1), provides the answer to either an explicit or an implicit question".

In voorbeeld (8) doet de verwijzing naar paragraaf 2.1 niet ter zake. Verder oogt de hoofdletter E in de nieuwe context vreemd: een kleine letter zou meer voor de hand liggen. Bedenk in zulke gevallen het volgende:

De bronvermelding kan daarom als volgt worden aangepast:

(9) Lyons (1977: 503) beweert dat "[e]very statement that can be made by uttering a simple sentence expresses a proposition, which, if it is informative [...], provides the answer to either an explicit or an implicit question".

Langere citaten kunnen in een aparte alinea worden geplaatst, liefst ingesprongen en/of in een kleiner lettertype afgedrukt. Aanhalingstekens zijn in dat geval niet nodig. Een aanhaling in een aparte alinea wordt vaak door regels wit van de tekst erboven en eronder gescheiden:

(10)Sapir (1949: 122-123) heeft dit soort inherente vergelijkingen als volgt beschreven: 

    Such contrasts as small and large, little and much, few and many, give us a deceptive feeling of absolute values within the field of quantity comparable to such qualitative differences as red and green within the field of color perception. This feeling is an illusion, however, which is largely due to the linguistic fact that the grading which is implicit in these terms is not formally indicated, whereas it is made explicit in such judgments as "There were fewer people there than here" or "He has more milk than I". [...] Many merely means any number, definite or indefinite, which is more than some other number taken as point of departure.

Dit "point of departure" wordt opgemaakt uit de talige of niet-talige context.

Ook al mag een geciteerde tekst niet veranderd worden, met behulp van vierkante haken kunnen wel de nodige verklaringen aan een citaat worden toegevoegd:

(11) Li (1981: 57) stelt dat "to use an RVC [resultative verb compound], the agent must have initiated the primary action referred to by the compound [d.w.z. de betekenis van het eerste element], while the use of néng 'can' only suggests the possibility of initiating the action".

Citeer precies en haal de geciteerde tekst niet uit zijn verband. Vermijd ook een betweterig gebruik van sic (Latijn voor 'zo [staat het er]'). Schrijf dus niet:

(12) Volgens Ebeling (1978: 278) moet de zin he enjoys schooting [sic!] wild ducks als volgt worden geanalyseerd.

Zulke overduidelijke drukfouten kunnen meestal stilzwijgend verbeterd worden. In een serieuze tekst wordt sic alleen correct gebruikt voor het weergeven van een opmerkelijk feit of citaat, waarbij de lezer anders een drukfout zou kunnen vermoeden:

(13) Zoals Ebeling (1978: 280) betoogt, gaat het in de zin bruine schoenen staat [sic] niet bij een blauw pak niet om de gepastheid van bruine schoenen, maar om de gepastheid van een situatie die gekenmerkt wordt door de aanwezigheid van bruine schoenen.

4. Verwijzen

Als je een gedrukt boek of artikel citeert, vermeld dan het bladzijdenummer, zoals al even getoond in voorbeeld (11):

Li (1981: 57)

Vermijd verwijzingen zoals:

Li (1981)

Zulke algemene vermeldingen zouden een enorme speurtocht betekenen voor lezers die het citaat willen nakijken in het origineel.

Voor digitale bronnen geldt iets dergelijks: maak de verwijzing zo specifiek mogelijk. De weblink of URL moet precies de plaats van het geraadpleegde document aangeven: vermijd dus verwijzingen naar overkoepelende sites waarop de lezer zelf moet gaan zoeken.

In veel andere vakgebieden is het de gewoonte om verwijzingen in voetnoten te vermelden. In een taalkundige tekst horen literatuurverwijzingen vooral thuis in de hoofdtekst, zoals getoond in de voorbeelden in § 3.

Dit kan helpen om rust te bewaren in de lay-out van de pagina, en daarmee de overzichtelijkheid van je tekst. Dat komt doordat taalkundige teksten ook zonder voetnoten vaak al erg druk zijn, in visuele zin – dankzij genummerde voorbeelden, fonetisch schrift, cursief, aanhalingstekens en andere vormen van transcriptie.

Een veel gebruikte manier van verwijzen in de hoofdtekst is in de vorm van een kort label: Auteur (jaartal: bladzijdenummer), zoals al getoond in de voorbeelden. Als een verwijzing voorkomt in tekst die zelf al tussen haakjes staat, is er geen extra paar haakjes meer nodig:

(14) In het Engels wordt dit soort woorden meestal aangeduid met de termen coverb (zoals bij DeFrancis 1976: 83) of preposition (bijvoorbeeld Norman 1988: 158).

Zulke labels verwijzen naar de lijst met literatuurverwijzingen. Zo kunnen de gegevens van Norman (1988) uit voorbeeld (14) in de volgende literatuurlijst worden teruggevonden. De labels zijn in alfabetische volgorde gezet, en achter elk label staan de volledige bibliografische gegevens vermeld:

  [label] [bibliografische gegevens]
(15) Dubinsky en Holcomb (2011)   Stanley Dubinsky en Chris Holcomb, "The language police: Prescriptivism and standardization" = hoofdstuk 11 van Understanding language through humor. Cambridge: Cambridge University Press, pp. 166-183.
  Halpern en Kerman (2002)  Jack Halpern en Jouni Kerman, "The pitfalls and complexities of Chinese to Chinese conversion / 汉字简繁转换的复杂性和陷阱 / 漢字簡繁轉換的複雜性和陷阱". Internet http://www.cjk.org/cjk/c2c/c2c.pdf, 7 maart 2018.
  Iljic (1983)  Robert Iljic, "Le marqueur laizhe". In: Cahiers de linguistique Asie orientale XI N° 2 (1983), pp. 65-102.
  Norman (1988) Jerry Norman, Chinese. Oxford: Oxford University Press, 1988.
  Sapir (1978) Edward Sapir, Language: An introduction to the study of speech. Eerste uitgave Rupert Hart-Davis Ltd, 1963. Frogmore: Granada Publishing, 1978. 

Daarmee is een gangbare vorm van literatuuropgave gegeven. Voor een boek is de hier gebruikte formule: Voornaam/Voorletters, Achternaam, Titel (gecursiveerd). Plaats: Uitgever, jaartal. Deze opgave wordt in voorbeeld (15) voorafgegaan door de in de hoofdtekst gebruikte afkorting "Norman (1988)".

Zolang je niet met redactionele richtlijnen van een uitgever te maken hebt, is de keuze voor een bepaalde formule van literatuuropgave niet van groot belang. Je moet natuurlijk wel zorgen voor de consequente toepassing van een eenmaal gekozen formule.

Hoofdtitels en ondertitels worden vaak door een dubbele punt van elkaar gescheiden. Ondertitels beginnen net als hoofdtitels met een hoofdletter.

Voorbeeld (15) toon ook een gangbare manier om te verwijzen naar bronnen die niet een heel boekwerk zijn, zoals hoofdstukken uit een groter werk (Dubinsky & Holcomb 2011) en tijdschriftartikelen (Iljic 1983). Zulke titels worden niet gecursiveerd, maar tussen aanhalingstekens gezet.

De titel van het tijdschrift wordt dan wel gecursiveerd en eventueel voorafgegaan door de vermelding "In: ". Voor tijdschriften wordt veelal geen plaats van uitgave of naam van de uitgever in de literatuurlijst opgenomen. Wel dienen aflevering en jaargang van het tijdschrift te worden vermeld, en de bladzijden waarop het bewuste artikel te vinden is.

Verder is in (15) een voorbeeld gegeven van een verwijzing naar een online publicatie, door vermelding van de URL (Halpern en Kerman 2002). En omdat online gegevens snel kunnen veranderen, moet je ook vermelden op welke datum je het materiaal op de aangegeven URL gevonden hebt.

De titel van Halpern en Kerman (2002) is uitzonderlijk omdat deze in drie schriften (en twee talen) opgesteld is. De drie schriften zijn hier gescheiden door slashes.

Als je in het Nederlands schrijft, kun je titels van boeken en tijdschriftartikelen in andere talen dan het Nederlands, Engels, Frans of Duits ook zelf vertalen. De vertalingen staan, net als andere toevoegingen van de schrijver, tussen vierkante haken:

(16) Lǚ (1999)   

吕叔湘 Lǚ Shūxiāng, redactie, 现代汉语八百词 • 修订本 Xiàndài Hànyǔ bābǎi cí: Xiūdìng běn [800 woorden in het Modern Chinees: Herziene editie]. 北京 Peking: 商務印書館 Shāngwù Yìnshūguǎn, 1999. Eerste editie 1980.

5. Voorbeelden

Het geven van genoeg voorbeelden is in een taalkundige verhandeling van cruciaal belang. Een enkel voorbeeld kan soms op een heel bondige wijze duidelijk maken wat een lang stuk tekst met moeite weet over te brengen. Met voorbeelden stimuleer je de lezer om mee te denken over het onderwerp en vergroot je de kans dat hij je tekst blijft volgen. Kortom, nur das Beispiel führt zum Licht, vieles Reden tut es nicht.

Bij het noemen van vormen uit het gesproken Mandarijn of uit andere Chinese talen is het in een taalkundig artikel vrijwel altijd overbodig om de karakters op te nemen waarmee die vormen worden geschreven.

Vaak werken Chinese karakters juist versluierend: als je 一本书 schrijft, blijft voor je lezer (laat staan voor de documentatie van taalfeiten) onduidelijk of niet moet uitgesproken worden als *yī běn shū, yì běn shū, of yi běn shū; en welke van deze vormen corresponderen met de betekenissen 'één boek' en/of ' ’n boek'.

In een taalkundige tekst is het een goede gewoonte om voorbeeldzinnen te glossen. Glossen betekent in taalkundig jargon: van woord tot woord, en soms van morfeem tot morfeem, van vertalingen voorzien. Elk van die "lokale" vertalingen is een glosse. Twee gegloste zinnen waren te zien in voorbeeld (1), dat hieronder herhaald wordt. In de eerste regel staan de Mandarijnse vormen, in de tweede regel de glossen, en in de derde regel de vertaling: 

(1)  drukkingen met te onderscheiden. In het volgende fragment wordt de vraag van spreker A ontkennend beantwoord door spreker B:
         
A:
Pǔbiàn
ma?
algemeen
VRG
'Is dat algemeen?'
B: 
M... 
 
tài 
pǔpiàn.1
mm
niet
te
algemeen
'Mm... niet zo erg algemeen.'

_________

1. Pǔbiàn 'algemeen' en pǔpiàn 'algemeen' worden door beide sprekers als "hetzelfde woord" ervaren. In Peking is pǔbiàn de norm; op Taiwan is pǔpiàn ruimer verbreid.

Een glosse geeft een zo algemeen mogelijk toepasbare betekenis van een woord of morfeem. Het is de kunst om voor dezelfde woorden of morfemen steeds dezelfde glosse te geven, zodat iemand die de taal niet kent toch een goede indruk kan krijgen van wat er in die taal in een zin staat.

Gebruik dus liever niet de voorbeelden (17) en (18) in hetzelfde betoog:

(17)   
Zhōngguo
yǒu
shān.
  (18)   
yǒu
shū.
 
China
er.zijn
berg
 
1EKV
hebben
boek
  'Er zijn bergen in China.'   'Ik heb boeken.'

    

Als yǒu in voorbeeld (17) geglost wordt als 'er.zijn', moet het niet in (18) geglost worden met 'hebben'. Het gaat er in de glossen juist om te laten zien dat het Mandarijn in beide gevallen hetzelfde werkwoord gebruikt, ook voor lezers die geen Mandarijn kennen. Daarom scheppen (19) en (20) meer duidelijkheid:

(19)   
Zhōngguo
yǒu
shān.
  (20)   
yǒu
shū.
 
China
er.zijn
berg
 
1EKV
er.zijn
boek
  'Er zijn bergen in China.'   'Ik heb boeken.'

    

Deze voorbeelden bieden de lezer meer informatie over het Mandarijn omdat (19) en (20) identieke glossen geven voor yǒu in de tweede regel. Het verschil tussen 'hebben' en 'er zijn' is hier wel relevant voor het Nederlands, en dit verschil komt daarom pas in de vertaling in de derde regel.

Voor grammaticale functiewoorden bestaat de glosse meestal uit een afkorting die wordt uitgelegd in zelf gemaakte lijst van afkortingen. In voorbeeld (1) wordt ma geglost met "VRG", als afkorting van vraag. In je lijst van afkortingen kan dan staan dat ma een partikel is dat achter een zin wordt gevoegd om de zin vragend te maken. De glosse 'VRG' kan niet vervangen worden door 'vraag' omdat ma niet 'vraag' betekent. De glosse 'vraag' zou in het Mandarijn bij de vorm wènti kunnen horen.

Ook in de voorbeelden (18) en (20) wordt een afkorting als glosse gebruikt: "1E" betekent hier het persoonlijk voornaamwoord van de (1 = ) eerste persoon (E = ) enkelvoud'. Let ook op het puntje in "er.zijn", dat hier aangeeft dat beide woorden samen de glosse van yǒu uitmaken.

Zulke conventies kun je naar eigen smaak inrichten. Het belangrijkste is dat duidelijk maakt aan de lezer welke keuzes je maakt, en dat je deze keuzes consequent toepast. Vergelijk in dit verband bijvoorbeeld de Leipzig Glossing Rules van het Max Planck Institute for Evolutionary Anthropology.

6. Tot slot

De inhoud van je werkstuk gaat boven de vormgeving, maar een overzichtelijke vormgeving helpen om het stuk leesbaar te maken.

Wees kritisch over je eigen tekst en stel je voor wat iemand er uit zou kunnen begrijpen. Wek geen valse verwachtingen en stel de zaken niet mooier voor dan ze zijn. Schrijf precies op wat je gedaan hebt, en geef aan wat daaruit is gebleken. Ook het nauwkeurig formuleren van een niet opgelost probleem is een verdienste.

Laat voordat je de laatste versie uitwerkt de tekst een tijdje met rust. Het is ook aan te raden om je tekst eens door een kritische (niet noodzakelijk taalkundig onderlegde) lezer na te laten kijken voor je hem definitief inlevert.

Andere taalkundige vaardigheden


 

Terminologie

Transcriptie

 

This guide in English: Writing on language

Van deze Schrijfwijzer is ook een editie voor studenten Japanstudies verschenen, verzorgd door Milan van Berlo

Voor meer tips zie bijvoorbeeld Jos Schaekens "Hoe schrijf ik een werkstuk Slavische taalkunde?"

 

COLOFON

Eerdere versies van deze Schrijfwijzer werden gepubliceerd onder de naam "Aanwijzingen voor het schrijven van een taalkundig werkstuk".

 

© Jeroen Wiedenhof 2002, 2008, 2018

laatste wijziging: 8 maart 2018